Schilderkunst in de ME was voor een groot deel kerkelijk werk, of beter een ambacht. Goede schilders waren ambachtslieden georganiseerd in gildenverband (eerst nog tezamen met de leerbewerkers, later zelfstandig), waarbinnen vakeisen werden gesteld en het sociale leven geregeld. Deze schilders voerden opdrachten van kerkelijke autoriteiten uit overeenkomstig hun wensen, en naar de vakeisen van het gilde. In W. Europa was het de RK kerk die in deze schilderingen haar invloed liet gelden.

Van beeld ↓ naar visie

Door Jaap Santema (juli 2001)

Middeleeuwen.

Kerk en Gilde.

Schilderkunst in de ME was voor een groot deel kerkelijk werk, of beter een ambacht. Goede schilders waren ambachtslieden georganiseerd in gildenverband (eerst nog tezamen met de leerbewerkers, later zelfstandig), waarbinnen vakeisen werden gesteld en het sociale leven geregeld. Deze schilders voerden opdrachten van kerkelijke autoriteiten uit overeenkomstig hun wensen, en naar de vakeisen van het gilde. In W. Europa was het de RK kerk die in deze schilderingen haar invloed liet gelden.
Daar de meeste kerkgangers, en ook dikwijls de priesters, analfabeet waren, waren beelden en schilderingen het middel bij uitstek om de bijbelse verhalen te vertellen. Dus bijbelse teksten moesten in beelden worden omgezet. Het verhaal werd beeldmatig overeenkomstig hetgeen de monniken en predikers begrepen. Deze schriftgeleerden waren uiteraard, zoals wij dat ook nu zijn, kinderen van hun tijd. Ze gebruikten de beelden uit hun eigen leven en omgeving, van wat zij verstonden, en van wat zij ook weer van anderen, hun voorgangers geleerd hadden. In de ME waren behalve de bijbelse geschriften ook zo langzamerhand de Griekse wetenschap bekend geworden. Dus veel problemen in de christelijke praktijk - denk bijv. maar aan vragen als moet de keizer van het Heilige Roomse Rijk de paus benoemen of de paus de keizer, òf de vraag of (dodelijk) geweld toegestaan is bij de verkondiging van het heil - bleken reeds goed doordacht te zijn door Griekse wijsgeren, en enkelen daarvan goed toepasbaar op christelijke vragen.

Natuur en Genade.

Zo ontstond in het kader van die vragen ook een soort van boedelscheiding. Boedelscheiding gepaard met grensgevechten, zo werd bijv. door de RK kerk het huwelijk als gebied van zeggenschap veroverd op de adel, d.m.v. bedreiging met uitsluiting van toegang tot de hemel. Ook de strijd om de hegemonie van òf theologie òf wijsbegeerte is een opvallend verschijnsel in die eeuwen. Het motief dat bepalend en grondleggend is in die vormgeving - d.i. cultuur - van wetenschap, ambacht, kunst van die tijd (ME) is de spanning tussen enerzijds natuur en anderzijds genade. Omdat alle ordening van God komt, vindt de mens zijn uiteindelijke bestemming niet in de natuur, de wereld, die in beginsel zondig is, maar in de bovennatuur. Dat motief is voortgekomen uit een poging tot verzoening tussen het christelijke motief en het Antieke, Grieks-wijsgerige.
Het Grieks-wijsgerige motief is aards gericht (immers de goden waren al te menselijk) en poogde via het denken de autonomie, d.i. zelfbepaling, te vestigen ter vervanging van het gangbare en gebruikelijke bij het antieke plebs, nl. je te laten leiden door meningen, welke uitgaan van mythen, en de grote (volks-)verhalen.
Het christelijke motief vooronderstelt de afhankelijk van alles (dus ook ons eigen denken en handelen) van God, die zich openbaart in Jezus Christus. Dit christelijk motief zet dan ook het MEse denken over de verhouding van geloven en weten zeer sterk in beweging. Zowel de natuurlijke rede als het bovennatuurlijke geloof voeren onafhankelijk van elkaar ons tot waarheid, waarbij beiderlei uitkomsten niet strijdig maar harmonisch met elkaar zouden zijn.
In dat MEse denken is de natuur het terrein van het wereldse, de keizer, de ambachten, de (natuur)wetenschap. De genade (ook wel bovennatuur genoemd) is het terrein van het kerkelijke, het geloof, de theologie, de paus. De samenhang tussen deze twee gebieden werd gezocht in de gedachte dat de natuur de voortrap zou zijn van de genade. Natuur is aangelegd op genade, natuur is onvolledig; genade is de noodzakelijke aanvulling en voltooiing daarvan. Uiteindelijk ligt die samenhang van natuur en genade in God zelf, van wie alle dingen zijn uitgegaan. Niettemin is die gedachte samenhang dialectisch, nl. heeft een innerlijke tegenstrijdigheid. Het sluit immers de van te voren gewenste autonomie van het denken uit, want het maakt het wederom afhankelijk. Bovendien was de uiteindelijke uitkomst van de redenering, nl. het bestaan van God, een geloofssprong.
In de ME ligt eerst de aandacht meer op het bovennatuurlijke, en in een opvolgende periode weer meer op het wereldse. De spanning die die dialektiek opriep was enorm en gaf juist daardoor aan de MEse cultuur een enorme, innerlijke dynamiek, waardoor ook in Europa een ongelooflijke, rijke cultuur ontwikkelde – naast de Aziatische toen nog rijkere en reeds veel verder ontwikkelde. We zullen zien dat binnen de Europese cultuur vanaf de XIXe eeuw uiteindelijk radicaal voor een andere weg wordt gekozen, en er een andere dialectiek gaat ontstaan.

Ambacht en Afbeelding.

In de schilderkunst is dit thema van natuur en genade goed terug te vinden, zowel in de afbeeldingen, als ook in de opvattingen van het ambacht. Bijv. had men wel de regel overgenomen dat ‘het vakmanschap het materiaal overtreft’, maar bedoelde daarmee niet meer de klassieke eis van de preciese weergave, maar als lof voor het vermogen van de vakman om de beperkingen van het materiaal te overwinnen. De klassieke ‘kunstvaardigheid’ werd tot zelfstandige, autonome ‘kunst’, met daarnaast de ‘inspiratie’ of ‘talent’ van de kunstenaar, als direct van God ontvangen.
Ook werd langzamerhand de schilder gezien in de uitoefening van zijn ambacht als christelijk strijder voor het zieleheil en werden hem de kerkelijke gedragsregels opgelegd, zoals niet te schilderen op zondag. Zo werd hij betrokken bij de verkondiging, de evangelisatie, en het culturele proces van de kerstening. Altaarstenen kregen een kerkelijk voorgeschreven maat, terwijl ze niet meer gebruikt mochten worden om er verf op te mengen. Door zijn kerkelijk werk kwam de schilder/beeldhouwer als leek op het domein van de geestelijken, en in de nabijheid van het heilige door òf zijn te maken afbeeldingen òf het lichaam van christus zelf (transsubstantiatie). Zij gaven dus de hoogste waarheden weer.
Daarnaast was de rol van de priesters de bemiddeling tussen het hemelse gewesten en de gelovigen. Met de kerk als exclusief instituut ter beheer van de benodigde middelen voor toegang tot de hemel. Schilderingen gingen deel uitmaken van de verlossing van de existentiële angst voor de hel. Het bekijken van een fresco van Giotto’s ‘Laatste Oordeel’ bezorgde je een aflaat: vermindering van 1 jaar en 40 dagen vagevuur. Verder werden ook (af)beeld(ing)en voor op reis van wezenlijke betekenis om je op het goede spoor te behouden en niet op inblazingen van de duivel in te gaan.

Wat is werelds?

In de pogingen tot codificering van deze positie, en van uitbreiding van de zeggenschap op verdere, maatschappelijke terreinen, ging ook het kerkelijk toezicht op de schilders toenemen. Ze werden immers traditioneel eerder gezien als uitvoerders van opdrachten dan als ontwerpers. Er was goede, duidelijke kunst ter verheldering van de kerkelijke leer nodig, gezuiverd van heidense, ketterse, maar ook van wereldse elementen. Hier ontstaat dan ook de spanning van wat is werelds en wat niet. Vreemde, fantastische figuren zonder meer riepen onnodig angst op, waren dus niet gewenst, maar wel moest de vermaning om niet op de brede dwaalweg naar de hel te geraken aanschouwelijk blijven. Het ongeletterde, eenvoudige volk moest gevormd worden met stichtelijke voorstellingen, d.w.z. dat naast de bijbelse verhalen, de moraliserende voorstellingen belangrijk gingen worden.
In de afbeeldingen verbeeldde men zowel het heilige (d.w.z. het bovennatuurlijke) als het profane (d.i. het natuurlijke). Bijv. hoe (af)beeld(ing)en van heilige personen (Christus, de Maagd, enz.) ingrijpen in wereldse zaken tot geestelijke verlossing van de mens, bevrijding van de duivel. Let wel het gaat bij dit soort van wonderverhalen altijd om ‘ingrijpen’ van bovenaf. Dus zoiets als voortdurend zinvol te leven werd geprojecteerd in het te verwachten hemelse.

Landschap.

Ook in de schilderingen van het landschap kan bovengenoemde dialectiek worden teruggevonden. Immers voorzover het landschap aanwezig was, was het stoffering van het te schilderen onderwerp/thema: het wereldse landschap als decor van het heilige gebeuren. Zelfs het woord ‘landschap’ was niet bekend, althans niet in de betekenis zoals wij die er aan geven.
Die stoffering is bedoeld als verbeelding van, symbool voor enerzijds het aardse, d.i. natuur, dan wel het hemelse, d.i. genade. De verbinding tussen die twee gebieden werd ook schilderkunstig een probleem. ‘Horizon’ als een technisch perspectivisch middel behoorde tot het op aarde mogelijke. Maar niet de ‘horizon’ als grens tussen het hemelse en aardse domein. Er zijn dan ook schilderijen waarin die horizon, geheel tegen de klassieke eis van nauwkeurigheid in, verdoezeld wordt, of gecamoufleerd door een muurtje. Rookmaker heeft eens in een lezing een dia van zo’n schilderij laten zien, waarin de maker toonde zich bewust te zijn van dat probleem door in die muur een open poortje te schilderen. Echter wat er in het schilderij origineel ín dat poortje was geschilderd was onbekend, het was door latere bewerkingen onherstelbaar verdwenen.
Niet voor niets hebben ook voor ons woorden als “hemel” en “aarde” nog steeds een dubbele betekenis: enerzijds het direct zichtbare, anderzijds wat we als gelovigen daaronder verstaan. Naar mijn mening is dat dubbel verstaan nog steeds een MEs relict.

Lichamelijkheid.

De eerder genoemde verschuiving van aandacht voor de ene pool of de andere is ook schilderkunstig te vinden, bijv. in de lichamelijkheid. Zo werd in de ME theologisch op een gegeven ogenblik alle aandacht weer gericht op de natuurlijke kant van Christus, het wonder van de vleeswording Gods. Dat werd beeldmatig vertaald o.a. in de duidelijk aanwezigheid van Jezus’ mannelijk geslacht, welke onverhuld en trots werd afgebeeld; eveneens bij vele mannelijke heiligen. Toen dit officiëel protest uitlokte van nonnen werden de piemels afgehakt, opgeborgen, voorzien van een etiket, en vervangen door aangeschroefde vijgebladeren. Binnen het thema is op te merken dat dit dan vervorming van ‘natuur’ is.

Moderne tijd.

Humanisme.

Ook al in de ME kwam er een vorm van humanisme op. Eerder genoemde spanning in het MEse denken had nl. de aandacht verschoven naar de vraag: waarvan kan ik nog zeker zijn, als aan alles valt te twijfelen. Het aanknopingspunt voor het antwoord werd gelegd in de mens zelf: immers ‘ik ben mij bewust van dat twijfelen, dus ik ben’.
Het blijkt dan vervolgens dat op dit uitgangspunt, zoiets als bovennatuur niet meer nodig is. Daarmee vervalt elk bewijs van Gods bestaan. De concluderende noodzaak uit de redenering van het waarneembare naar het godsbestaan wordt doorzien als gelovige voor-onderstelling, dus behorend tot een apart terrein. Bij wijze van spreken werd de hemel afgeschroefd van de aarde. Ze zaten toch al los van elkaar als gevolg van het onderlinge wrikken van het bovennatuurlijke en natuurlijke. De voorstellingen van de hemel pasten niet meer bij die van de aarde en omgekeerd. Pogingen om ze vanuit genoemd standpunt wel bij elkaar te houden doen gekunsteld aan ter zelfbevrediging dan wel voor behoud van kerkelijke, dus maatschappelijke positie.
Uit het natuurkundig onderzoek bleek ook dat aardse wetten golden in de sfeer van het ‘hemelse’. Wetenschappelijke resultaten zijn algemeengeldig. Daarnaast en apart zijn de particuliere geloofskeuzen en -oordelen. Volgens het universele oordeel zijn kerkelijke uitspraken niet meer publiek betrouwbaar, denk maar aan het kerkelijke proces contra Galileï. Ook de kerk zelf wordt een ME’s relict, alleen nodig voor diegenen die nog behoefte hebben aan de tegenwoordig zogenoemde grote verhalen.
De mens zèlf bood kennelijk een nieuw perspectief, niet alleen als voorwerp van onderzoek, maar ook als uitgangspunt. De mens zelf in zijn gedaante van ontdekker van de wereld en beheerser ervan. Hij ging er dan ook op uit om die wereld te ontdekken m.b.v. zelfgebouwde instrumenten, zoals kaart en kompas. Nu kon hij ook nog eens gaan ontdekken wat er nu werkelijk waar was van al die overgeleverde verhalen. Ook de wetenschap ontplooide zich verrassend door onderzoek, experiment en verandering van blikrichting, nl. i.p.v. concrete dingen en eenheden (dit of dat), kwamen de functies (zus of zo) ervan in zicht. De projectie van die gedachte, de analytische functiedeling in het praktisch handelen en in organisatie, kwam reeds in de Gotiek op gang. Het werd m.n. toegepast in de kathedralenbouw, en bleek ongelofelijk productief.

Natuur en vrijheid.

Echter ook dit humanisme borg in zijn boezem een dialectiek, een tegenstelling die niet denkend was op te lossen, of te verheffen tot een hoger nivo. In de tijd van de romantiek werd dit verwoord als het thema van natuur en vrijheid. De natuur zelf krijgt een mythisch zelfstandige, dwingende kracht (denk bijv. aan de schilderijen van Caspar David Friedrich).
Daartegenover staat de menselijke vrijheid, waarin autonoom te beslissen is wat goed is voor de mens. O.a. is e.e.a zo prachtig verbeeld en bezongen in Van Beethoven’s ‘Fidelio’. De natuur is dan in principe te begrijpen, te bevatten, en ook te beheersen via de wetenschappelijke methode geprojecteerd in de moderne techniek, economie en organisatie. Zelfs menselijke roerselen, denk aan Freud, zijn te begrijpen, en te beheersen. Alleen de richting van die beheersing is onduidelijk geworden. In principe valt alles wetenschappelijk te onderzoeken, in universeel geldige wetten te begrijpen en via projectie in het maakbare te beheersen.
Voor iemand die zich echter op het eerste standpunt stelt (macht van de natuur), is dit alles-is-te-kennen-en-te-maken menselijke overmoed. Denk bijv. aan Goethe die het werk van natuurwetenschappelijke geleerden vernietigend achtte, die zelfs een boek van zo’n 500 p’s schreef contra de fysische kleurenleer: ‘fysici analyseren kleur kapot’. Ook in onze tijd zien we dat bij Nolde de natuur boven de aanschouwing, d.i. het optisch te registrerene, uitgaat: het geziene wordt vervangen door tekens.
In de periode na WO II is de overheersende, maatschappelijke stroming het existentialisme, waarin de menselijke vrijheid hartstochtelijk wordt gezocht, en de ander gezien wordt als de hel. Het gaat over de verantwoordelijkheid van mijn eigen, persoonlijke keuze over leven en dood. Een dramatische keuze kan dat zijn door de mogelijkheid van beschikking over het leven/dood van een goedwillende ander, met de vraag naar schuld die de mens benauwt. Maar deze zinloosheid drijft ook tot beëindiging van het eigen leven.
Deze schuldvraag hebben we tegenwoordig vooral functioneel geplaatst in het psychologische. Ieder heeft zo zijn eigen psychiater, psycholoog, pastor of goeroe nodig om de narigheid van die knagende vraag te boven te komen. We weten ook functioneel dat er in de hemel geen god is - volgens getuigenis van Russische ruimtevaarders - die antwoord geeft op die vraag naar schuld. Ook wij weten tegenwoordig heel goed dat je met efficiëntie en doelgerichte functiedeling tot zeer grote dingen in staat bent. I.p.v. grote, kerkelijke gebouwen -die hier in W. Europa toch leeg blijven - met volstrekt onnodige (kunst-)versieringen, immers door kerkenraden te duur en ondoelmatig bevonden, bouwen we verzekeringskathedralen (met 10% van het budget functioneel voor kunst). Daarin werken organisaties voor onze zekerheid tot en met de uitvaart. Wat wil je dan nog meer?
Ja, dat is dan de vraag: wat wil je meer…

Verloren hemel.

Het bleek in de geschiedenis al gauw dat ook die nieuwe wijze van denken en doen geen hemel op aarde bracht. Noch het verlichtingsdenken en het vooruitgangsdenken, noch moderne wetenschap en techniek gaven wat velen verwachten. De ondergang van de “Titanic”, twee wereldoorlogen, stromen van vluchtelingen, niet aflatende, ethnische zuiveringen, griezelige ziekten, mogelijke en onmogelijke rampen al of niet door menselijk handelen, voortgaande mishandelingen, ook in de sfeer van de liefde, toename van geweld en falen van de overheid in haar monopolistische functie van beschermster van gerechtigheid, pijnlijk elkaar misverstaan in gesprekken schokken terecht velen en ons ook. Toch gaan we voort, of trekken we ons terug vanuit een soort idee dat we niet alle ellende op ons kunnen nemen, of misschien vanuit het verkeerde besef er geen verantwoordelijkheid voor te hebben? Wellicht koesteren we zelf ook nog dat MEs pastorale beeld van een te verwachten hemel.
Als de hemel niet alleen leeg is, maar ook naar het rijk der fabelen verplaatst moet worden, blijft alleen de mens zelf, of nog sterker ‘ik’ als heilige over, dat je dan ook ondanks verminking en wanhoop zo goed mogelijk moet zien aan te passen aan je eigen tijd, dus zien te verkopen; zie bijv. Scholte’s ‘Cover’.

Moderne kunst. Chaos?

Zowel dat nieuw ontstane optimisme door verlichtingsdenken en vooruitgangsgeloof, als ook de verwarring en verbijstering door ontgoocheling en er innerlijk aan kapot gaan, omdat je elk perspectief op zoiets als een hemel is ontnomen, is in de moderne tijd te zien ook in de schilderkunst.
Het schijnt dat de moderne beelduitingen zoveel stromingen opleveren dat ordening niet meer mogelijk zou zijn. Ik meen dat vanuit genoemde grondmotieven er toch wel meer is te zeggen en te ordenen.
Zo valt op - naast verbeelding van het verschrikkelijke - in huidige stromingen bijv. de gestelde eis van binnen eigen vrijheid gekozen originaliteit. Zelfs op kunstacademies wordt het traditionele niet meer onderwezen en afgewezen als korset dat de individuele ontplooiing insnoert, zo heb ik me laten vertellen. Naar ik meen is dit een gevolg van de in de gehele maatschappij geldende tendens van liberale individualisering, voortgekomen uit de gedachte dat de hoogste autoriteit het menselijk individu is. Dat ook dit tot een innerlijke spanning leidt, beseffen we allemaal. Alleen al de vraag naar de oorsprong van de eigen innerlijke onzekerheid geeft die spanning aan. Ook de vraag naar de oorsprong van normen, wat is goed en wat kwaad, wat is mooi en wat lelijk, en grensvragen: wat accepteer ik nog in de uitbreiding van het openbare naar het intieme, betekent dat het eerder genoemde humanisme inmiddels geëvolueerd is van een idee van mens-zijn in algemene zin naar een persoonlijke. Maar dat roept dan opnieuw de vraag op naar de verstaanbaarheid van het verbeeldde als er niet meer zoiets is als algemeen menselijk. Ook Karel Appel’s gezegde “Ik rotzooi maar wat aan” verwijst reeds daarna, en tegelijkertijd naar zijn negatief maatschappij-kritische ideeën zonder positieve vervanging. Uiteraard wordt hij zelf dan ook slachtoffer van genoemde dialectiek. Hij beweegt zich nu dan ook commerciëel, hij heeft zich door zijn persoonlijke keuze uitgeleverd aan de huidige trent van macht. Daarmee wil ik niet zeggen dat hij niet in staat zou zijn nog steeds mooie dingen te maken.
Tegelijkertijd blijkt de aloude, MEse dialectiek van natuur en bovennatuur zich ook nog voor te doen, ook in de schilderkunst. Denk bijv. maar Newman’s ‘Day before one’. Het idee dat hij daarin verbeeldt, is een soort omkering van ingrijpen, nl. van het natuurlijke in het bovennatuurlijke. Het begrip tijd is in die titel gestold door fixatie van de eerste dag, alsof schepping vast te zetten zou zijn op één moment, het begin.

Ook de kunst zelf in haar verhouding tot de mens en tot de werkelijkheid is in hevige discussie. Door verheffing van de kunst - immers ‘alles is kunst’ (Mondriaan) - is de kerk op de duur nog te vervangen door het museum. Dan wel de kunstenaar zelf wijst aan wat kunst is ( Duchamp ) en de musea hebben daarin te volgen. Tenslotte stelt Herman Brood: ‘Ik ben kunst’. Waarmee ook het museum een relict is geworden. De stelling van de autonomie van de kunst is daarbij in het geding, en is het nog steeds.
Uit de receptie van moderne kunst blijkt dat er in brede lagen van de maatschappij nog steeds een grote weerstand werkzaam is: ‘moderne kunst is onbegrijpelijk’, ‘moderne kunst is onfatsoenlijk, schaamteloos en normloos’, ‘moderne kunst is niet voor christenen’ zijn kreten die nog dagelijks te horen zijn in galeries en musea, maar ook in kerkelijke vergaderingen.
Bedoel ik nu te zeggen dat de gehele, moderne kunst is vastgelopen? Neen. De genoemde humanistische dialectiek geeft op zich een geweldige dynamiek aan onze cultuur. Er is sprake van globalisering, de wereld wordt kleiner, de tijd korter, materialen en technieken vermenigvuldigen zich , de (mogelijke) standpunten voor beschouwingen veelvuldiger. Als ik de recensies goed begrijp, zijn er genoeg beeldende kunstenaars voor wie het te doen is om door ambachtelijk goed werk een product te leveren dat iets van doen heeft met een verder te ontwikkelen visie op schoonheid, ook m.b.v. de moderne materialen en methoden. Immers schoonheid is en blijft toch de centrale functie van kunst?

Reformatie.

Totnutoe heb ik nog niets opgemerkt over een andere beweging die zoveel vergaande en diepgaande invloed heeft gehad op de cultuur, nl. de reformatie. Naar mijn mening is de invloed van de reformatie even beslissend in de geschiedenis als die van het humanisme. Kort gezegd werd de blikrichting binnen de cultuur door de reformatie geheel veranderd. I.p.v. een MEse tweedeling - binnen het humanisme voortgezet met een gelijktijdige depreciatie dan wel ontkenning van het bovennatuurlijke - stelt de reformatie de eenheid/geheelheid/samenhang-met-differenties geloofsmatig voorop.
De bijbel wordt aangewezen als de bron bij uitstek voor geloof en als norm voor het alles omvattende, gehele leven. Erachter terug is het stellen van een onmogelijke eis, er zijn immers geen andere getuigen.
Natuur en mens worden schepsels met eigen mogelijkheden en onmogelijkheden, als componenten met een eigen aard in het geheel van de schepping. In de actuele vormgeving daarvan wordt de voortdurende hervorming in denken en doen - dus ook in beeldvorming - gevraagd naar de norm van het Koninkrijk van God. De mens is een verantwoordelijk individu. Hij heeft te antwoorden op zijn roeping binnen de schepping. Immers zijn vader vraagt hem met naam en toenaam “wat heb je met het door mij gemaakte gedaan?” Vaders oordeel over ons denken en doen is de nieuwe naam die je daarvoor verkrijgt.
Na de eigenlijke, historische gebeurtenissen in de XVIe van wat we ‘reformatie’ noemen, zien we ook schilderkunstig duidelijk de gevolgen. De cultuur had te voldoen aan de publieke eis van Gods waarheid en gerechtigheid. D.w.z. dat er niet een aparte kunst voor christenen zou gemaakt moeten worden, noch dat kunst aanleiding zou kunnen zijn voor mystieke contemplatie of wereldmijding. Cultuurarbeid wordt gezien als roeping, en is zinvol voor de gemeenschap. Kunst, en ook wetenschap, worden gezien als gaven van God. God geeft de mens via de weg van de kunst - en ook van de wetenschap - zicht (zowel inzicht als toezicht) in zijn scheppingswonderen. Godsdienst, kunst en wetenschap zijn wel te onderscheiden naar hun eigen aard, maar niet te scheiden, zoals de overheersende neiging is binnen het scholastische denken van de ME, en ook in het huidige humanistische denken. Binnen de scholastiek wordt godsdienst een exclusief kerkelijke aangelegenheid. Binnen het humanisme wordt godsdienst een volstrekt individuele aangelegenheid i.p.v. publieke.
M.n. wordt ook internationaal in de kunstbeschouwing de Hollandse schilderkunst hierin als voorbeeldig aangewezen. Bijv, waar we eerder over spraken, het landschap wordt ervaren en gezien als iets door God gegeven met een eigen aard, i.p.v. stoffering van wondertekens en verbeelding van gebeurtenissen. Het Hollandse landschap wordt ervaren als gave van God, een land van ‘melk en honing’, bevrijd door een generaties overspannend gevecht op leven en dood met de absolutistische tegenstander. Het landschap was er van Godswege voor goede zorg, en voor afbeelding met liefde, een lust voor het oog.